Parkeren is het laten stilstaan van een voertuig anders dan gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk laten in, uit, op of afstappen van passagiers, dan wel het onmiddellijk laden en of lossen van goederen.

Er is dus sprake van parkeren als iemand een voertuig tot stilstand brengt en dit voertuig laat staan en geen passagiers laat in of uitstappen of een passagier laat op of afstappen, zoals bij een bushalte waar dit dus wel is toegestaan, mits u daarna direct weer verder rijdt.

Parkeren is verboden op alle plaatsen waar het reeds verboden is om een voertuig te laten stilstaan.

Een voertuig laten staan om bijvoorbeeld boodschappen te doen, geld te pinnen uit een pinautomaat, of ergens iets te gaan drinken, valt dus onder de noemer parkeren. Dit geldt eveneens als er iemand in het stilstaande voertuig achterblijft.

Een bestuurder mag zijn voertuig niet parkeren op de volgende plaatsen:

1. Bij een kruispunt op een afstand van minder dan 5 meter daarvan.

2. Voor een inrit of een uitrit.

3. Buiten de bebouwde kom op de rijbaan van een voorrangsweg.

4. Langs een gele onderbroken streep.

5. Op een gelegenheid, bestemd voor het onmiddellijk laden en lossen.

6. Op een parkeerplaats voor vergunninghouders, aangeduid door het bord E 9. 

7. In een parkeerverbodszone.

8. Langs een reeds geparkeerd voertuig.

9. Daar waar het door borden is verboden.

Terug naar de website