Wegsoorten
Wegen zijn er in alle soorten en maten. Ze zijn ingericht met een bepaald doel. Je kunt wegen onderverdelen in drie verschillende soorten:
- erftoegangswegen
- gebiedsontsluitingswegen
- stroomwegen
Erftoegangswegen
Wonen en verblijven is hier het hoofddoel. Snelheden liggen hier laag, wegen zijn smaller en er zijn meer drempels en obstakels te vinden. Je komt er meer in contact met zwakkere verkeersdeelnemers zoals fietsers en voetgangers. Hier moet je de snelheid op aanpassen. Op deze wegen hebben de fietsers vaak geen eigen fietspad, maar fietsen over de rijbaan. De meeste kruispunten zijn gelijkwaardig.
Voorbeelden van erftoegangswegen zijn een erf en een 30km-zone. Maar ook 60km-zones vallen onder de erftoegangswegen, omdat deze als doel hebben dat de erven van boerderijen en de opgangen van weilanden en akkers goed kunnen worden bereikt. Ook op deze wegen heb je veel langzaam verkeer, zoals landbouwvoertuigen.

Erf

30km-zone

60km-zone
Gebiedsontsluitingswegen
Deze wegen maken de verbinding tussen verblijfsgebieden (met erftoegangswegen) en stroomwegen. Gebiedsontsluitingswegen zijn iets breder en de snelheden liggen hier iets hoger. Denk hierbij aan wegen binnen de bebouwde kom waar je 50 km/u en soms 70 km/u mag rijden en waar niet direct huizen aan liggen. Deze wegen vormen de verbinding tussen verschillende wijken in een stad.
Maar ook 80km-wegen buiten de bebouwde kom vallen onder de gebiedsontsluitingswegen. Zij verbinden verschillende dorpen en kleine steden met elkaar.

50km-weg

80km-weg
De meeste gebiedsontsluitingswegen hebben aparte fietspaden en fiets-/bromfietspaden. Ook kom je er weinig landbouwverkeer tegen. De meeste kruispunten zijn gelijkvloers maar niet gelijkwaardig. De voorrang wordt geregeld door middel van borden en tekens of verkeerslichten.
De meeste dodelijke ongevallen vinden op gebiedsontsluitingswegen plaats, waarbij de gemeentelijke 50km-weg de koploper is. Dit komt vooral door ongevallen tussen motorvoertuigen en fietsers, bromfietsers en voetgangers. Maar ook op 80km-wegen vinden veel dodelijke ongevallen plaats, onder andere door frontale botsingen bij inhaalmanoeuvres.
Stroomwegen
Deze wegen hebben als doel de vlotte verplaatsing van verkeer over langere afstanden. Ze verbinden grotere steden met elkaar. Denk hierbij aan autowegen en autosnelwegen. De maximumsnelheid ligt hoog en bij alle autosnelwegen en de bredere autowegen zit er een afscheiding (vangrail of middenberm) tussen de twee richtingen.
De tweestrooks-autowegen die geen afscheiding hebben in de vorm van een vangrail of middenberm, zijn een stuk gevaarlijker dan die met afscheiding. Om in te kunnen halen moet je namelijk over de weghelft van het tegemoetkomende verkeer. Op deze wegen ontstaan met regelmaat frontale aanrijdingen. Vaak met dodelijke afloop.

Autoweg

Autosnelweg
Sommige autowegen zijn voorzien van gelijkvloerse kruispunten of kruisingen, maar de meeste stroomwegen hebben ongelijkvloerse kruisingen waarbij het verkeer via op- en afritten van de ene naar de andere (stroom)weg wordt geleid.
Je komt geen fietsers of ander langzaam verkeer tegen op stroomwegen. Voertuigen moeten een minimale snelheid kunnen en mogen rijden voordat ze op stroomwegen mogen komen. Wel kan het voorkomen dat langzaam verkeer via een gelijkvloerse kruising een autoweg moet oversteken. Dit kan gevaarlijke situaties opleveren als de overstekende bestuurder te weinig rekening houd met de hoge snelheid op de autoweg.
Maar de meest voorkomende ongevallen op stroomwegen zijn kop-staartaanrijdingen doordat er te weinig afstand wordt gehouden en onverwacht geremd wordt. Ook staan deze wegen bekend om hun files.
Voor vrachtauto’s en voertuigen met een aanhangwagen waarbij de combinatie langer is dan zeven meter, geldt dat ze op autosnelwegen alleen gebruik mogen maken van de twee meest rechts gelegen rijstroken. Dit geldt niet voor motorfietsen met een aanhangwagen, omdat deze altijd korter zijn dan zeven meter.