Onderhoud en controle

Voor een motorfiets geldt alleen een keuringsplicht zodra het voertuig voor het eerst wordt toegelaten op de Nederlandse wegen. Dat is de typegoedkeuring die wordt verzorgd door de fabrikant. Bij normaal gebruik en goed onderhoud van de motorfiets, hoeft deze niet opnieuw gekeurd te worden. Er bestaat voor motorfietsen bijvoorbeeld geen algemene periodieke keuring (APK) zoals bij personenauto’s.

De enige uitzondering hierop zijn de driewielige motorrijtuigen (zoals zware trikes) met een toegestane maximummassa van meer dan 400 kg.

Je bent als eigenaar (of houder) en als bestuurder voor de wet verantwoordelijk voor de staat van de motorfiets. Nog belangrijker is, dat een regelmatige controle en goed onderhoud van de motorfiets essentieel zijn voor de veiligheid.

BRAVO-A

Dit is een ezelsbruggetje voor de controles die je standaard vóór iedere rit uit hoort te voeren. De letters staan voor de verschillende onderdelen: Banden, Remmen, Aandrijving, Verlichting, Olie en Algemene zaken (accu, vering, koeling en bedieningsorganen).

Banden

Je hoeft niet voor iedere rit de bandenspanning met een bandenspanningsmeter te meten. Dit doe je ongeveer eens per maand of als de bandenspanning op het oog laag lijkt. Is dit het geval, meet de bandenspanning dan altijd bij koude banden, dus niet pas tijdens of na een rit.
Wat je sowieso voor iedere rit moet controleren, is of er geen oneffenheden op de band zitten. Denk hierbij aan scheurtjes (uitdroging), uitstulpingen of duidelijk drukverlies. Ook mag de band nooit beschadigingen vertonen waarbij het karkas zichtbaar is.

Onder de 2 millimeter zul je bij regen al flink verlies van grip kunnen gaan ervaren. Als vergelijking: een nieuwe achterband heeft een profieldiepte tussen de 6-8 millimeter, een nieuwe voorband tussen de 4-6 millimeter.

Slijt een band onregelmatig af, dan kan dit duiden op een probleem met de balans van de motor, de schokbrekers of een slechte wielsporing. Bij een slechte wielsporing staan de wielen niet helemaal recht, of niet netjes recht achter elkaar.

ventieldopje

Controleer of beide ventieldopjes aanwezig zijn.

profiel

Controleer of je nog voldoende profiel op de banden hebt en of dit gelijkmatig afslijt.

Controleer of de ventieldopjes aanwezig zijn. Ventieldopjes zijn er om vuil uit het ventiel te houden. Controleer het profiel op het oog. Lijkt dit te veel af te nemen, dan meet je het profiel wat nauwkeuriger. Ondanks dat de minimale wettelijke profieldiepte 1 millimeter is, wordt het vervangen van de band al eerder geadviseerd.

Hoeveel de bandenspanning moet zijn, is afhankelijk van het type motorfiets, maar ook de belading. Kijk dit altijd na voor jouw type motorfiets. Zowel een (veel) te hoge bandenspanning als een te lage bandenspanning is niet ideaal. Bij een veel te hoge bandenspanning vermindert de grip en rijdt de motorfiets minder comfortabel. De banden verliezen dan hun verende vermogen. Een te lage bandenspanning zal ook zorgen voor minder grip én daarnaast zorgen voor meer slijtage aan de banden en een hoger brandstofverbruik.

bandenspanning

Bandenspanning controleer je op het oog voor iedere rit. Twijfel je aan de bandenspanning, meet deze dan voor de rit met een bandenspanningsmeter. Doe dit sowieso eens per maand.

Over het algemeen zal de voorband iets minder hard opgepompt moeten worden dan de achterband. Wordt de motorfiets zwaarder beladen, omdat je met bagage of een passagier rijdt, verhoog dan de bandenspanning.

Heb je net nieuwe banden? Rijd dan de eerste 100 km wat rustiger. Nieuwe banden zijn voorzien van een gladdere toplaag die eerst wat op moet ruwen voordat de grip van de band optimaal is.

Winterbanden
alpine symbool

Alpine-symbool

Winterbanden zijn bij motorfietsen minder gangbaar dan bij personenauto’s. De meeste motorrijders rijden niet in de winter, waardoor winterbanden onnodig zijn. Rijd je wel door in de winter, dan zijn winterbanden te adviseren zodra de temperatuur onder de 8 graden duikt. Het rubber van winterbanden is zachter en het profiel is anders, wat ervoor zorgt dat je bij lage temperaturen en winterse neerslag meer grip houd dan met zomerbanden. Boven de 15 graden heb je juist nadeel van de winterbanden, omdat de grip dan juist minder wordt en de slijtage hoger. Winterbanden herken je aan het alpine-symbool.

Remmen

De remmen zijn het belangrijkste onderdeel van de motorfiets. Controle is daarom erg belangrijk. Beide remmen moeten altijd perfect werken.

  • Controleer de remdruk voordat je wegrijdt maar nadat je de motorfiets gestart hebt. Dit doe je door de remhendel in te knijpen en het voetpedaal in te drukken. Kun je deze inknijpen of indrukken tot de aanslag? Dan is de remdruk niet in orde. Ga niet rijden maar laat dit nakijken.
  • Controleer de remvloeistof. Het remvloeistofniveau moet tussen het minimum- en maximumteken staan. Een te laag niveau kan komen door versleten remblokken of een lekkage in het systeem. Vul de remvloeistof niet zomaar zelf bij maar laat dit nakijken als het niet klopt. Laat de remblokken vervangen indien nodig.
  • Controleer de remschijven. Deze moeten nog voldoende dik zijn en mogen geen grote bramen vertonen. Ook moeten ze perfect recht zijn.
  • Controleer de remkabels. Deze mogen niet gerafeld of versleten zijn.
  • Als je de motorfiets in de vrij (neutraal) vooruit duwt, mogen de remschoenen van de trommelrem niet aanlopen. De schijfremmen mogen wel iets slepen. Vooral als de motorfiets langer heeft stilgestaan kan dit een licht schrapend geluid geven. Dit moet wel vlot verminderen na beweging. Blijven ze tijdens het remmen een schrapend geluid geven, stop dan direct. Meestal betekent dit dat de remblokken versleten zijn.
remvloeistof

Het reservoir van de remvloeistof vind je meestal op het stuur van je motorfiets.

schijfrem motor

Controleer de schijfremmen op dikte en bramen.

Aandrijving

Een motorfiets kan aangedreven worden door een ketting, een aandrijfriem of een cardan. Van deze drie aandrijfmogelijkheden heeft de ketting het meeste onderhoud nodig en de cardan het minste.

Onderhoud ketting

  • Smeer je ketting regelmatig. Denk hierbij aan ongeveer iedere 500 kilometer. Rijd je vaker in de regen of op modderige wegen, dan is vaker schoonmaken en smeren wel aan te raden. Smeer een ketting altijd ná een rit. Doe je dit vlak ervoor, dan wordt het merendeel van het vet weer van de ketting af geslingerd tijdens het rijden. Ook kruipt het vet beter tussen de ketting als de ketting nog warm is van het rijden.
  • Controleer de spanning van de ketting. Een motorketting mag enige speling hebben, maar mag niet gaan klapperen. Dit klapperen merk je tijdens het remmen op de motor en het optrekken.
    Hoeveel speling een ketting mag hebben is per type motor verschillend, maar zal meestal rond de 2-3 centimeter zijn.
kettingspeling

Kettingspeling meet je door de ketting aan de onderkant omhoog te duwen. Normaal kan dit maar een klein stukje.

  • Vervang een versleten ketting. Het beste is om deze samen met de kettingwielen te vervangen. Gebruikte kettingwielen zijn niet meer symmetrisch, maar slijten aan één kant waardoor ze puntiger of zelfs haakvormig worden. In dat geval zijn ze aan vervanging toe. Voorkettingwielen slijten sneller dan achterkettingwielen, omdat voorkettingwielen meer omwentelingen maken. Meestal moet je een ketting en kettingwielen-set vervangen tussen de 20.000 - 30.000 km. Hoe beter je de ketting en kettingwielen onderhoudt, hoe langer ze meegaan.
kettingwielen 1

Bij een nieuw kettingwiel (plaatje A) zijn de tanden afgeplat aan de bovenkant. Hoe meer deze verslijt, hoe puntiger de tanden worden (plaatje B). Dit tandwiel is aan vervanging toe. Blijf je hiermee doorrijden, dan ontstaan er uiteindelijk ‘haaienvinnen’ (plaatje C), de tanden zijn hier te ver afgesleten.

Onderhoud aandrijfriem

Een aandrijfriem heeft weinig onderhoud nodig. Een riem hoeft niet gesmeerd of gesteld te worden tussen het vervangen door. Vervangen is gemiddeld na zo’n 40.000 - 50.000 km nodig. Vaak moet je tegelijkertijd de tandpoelies (waar de riem omheen zit, vergelijkbaar met de kettingwielen van de ketting) vervangen. Het vervangen van een aandrijfriem is over het algemeen wel een stuk duurder dan het vervangen van een ketting.

Onderhoud cardan

De cardan heeft weinig onderhoud nodig en hoeft normaal gesproken niet vervangen te worden. Het enige dat je af en toe kunt controleren is de cardan-olie. Bijvullen hiervan is ook bijna nooit nodig. Is dit wel nodig, controleer dan op lekkages.

Verlichting

Gezien worden is op een motorfiets een erg belangrijk veiligheidsaspect. Zorgen dat je gezien wordt, doe je door een juiste positie op de weg, het dragen van felle motorkleding en helm, maar ook door altijd verlichting te voeren. Zorg dus dat de verlichting altijd in orde is. Controleer de verlichting op kapotte lampjes, maak de lampglazen schoon indien nodig en controleer deze op corrosie (het glas wordt dan dof) en condens.

Controleer je dimlicht, groot licht, achterlicht, remlicht, richtingaanwijzers en de controlelampjes in je dashboard. Zorg dat je een setje reservelampjes en zekeringen mee hebt voor als er onderweg iets stuk gaat.

Olie

Olie zorgt voor de smering en koeling van de bewegende delen van de motor. Een juist oliepeil is daarvoor erg belangrijk. Controle van het oliepeil hoort daarom bij de vaste controle van de motorfiets. Dit is te controleren met een peilstokje of een peilglaasje (peilvenster). Dit peilstokje of peilglaasje vind je onderaan op het motorblok, waar ook de vulopening voor de motorolie te vinden is. Controleer het oliepeil het liefst voor de rit. Doe je dit na de rit, laat de motor dan eerst minimaal 10 minuten afkoelen. De motorolie krijgt dan de tijd om weer in het carter (de olieopvangbak) te lopen. Zet voor het peilen de motorfiets rechtop. Zet je de motorfiets op de zijstandaard, dan zakt de olie te veel naar één kant van het carter. Is het oliepeil te laag, vul deze dan bij met de juiste motorolie. Vul niet te snel te veel bij, maar peil steeds tussendoor, nadat je even gewacht hebt. Ook te veel olie kan namelijk problemen geven.

peilstokje

Motorfietsen kunnen voorzien zijn van een oliepeilstokje.

peilglaasje

Maar veel motorfietsen hebben een oliepeilglaasje.

Accu

Aan de accu kun je tegenwoordig weinig meer aflezen. Zodra deze minder goed begint te worden, merk je dit aan het slechte starten van de motorfiets. Om de accu langer te laten meegaan, is het verstandig om deze tijdens lange perioden van stilstand (zoals in de winter) aan een druppellader te hangen. Deze voorkomt het leeglopen van de accu.

Vering

De voorvorkvering kun je controleren door de voorvork in te drukken en weer los te laten. Dit moet voldoende weerstand geven en de voorvork moet eenmalig terugveren en niet blijven ‘deinen’. Zorg dat de voorvork na elke rit weer schoongemaakt wordt. Dode insecten en viezigheid op de voorvork kunnen beschadiging van de voorvorkkeerringen veroorzaken. De achtervering kun je controleren door op de motor te gaan zitten en weer op te veren. Ook de achterkant moet weer eenmalig terugveren. Stel de vering stugger af als je besluit om met een passagier of zware bagage te gaan rijden. Dit voorkomt dat de vering ‘doorslaat’ als je zwaarbeladen over een drempeltje rijdt.

Koeling

De motoren van motorfietsen kunnen op verschillende manieren gekoeld worden. Zo bestaan er luchtgekoelde en vloeistofgekoelde motoren. Luchtgekoelde motoren herken je aan de ribben (ribbels) op het motorblok. De lucht wordt tijdens het rijden langs het motorblok tussen de ribben door geblazen en koelt op die manier de motor.

Voor de koeling is het belangrijk dat het motorblok niet te vervuild raakt. De lucht moet immers contact maken met het metaal en goed tussen de ribben door kunnen stromen om het blok goed te kunnen koelen. Een nadeel van een luchtgekoelde motor is dat het motorblok bij stilstand (denk aan file of een geopende brug) minder goed gekoeld wordt. Schakel op tijd de motor uit als je lang stil moet staan om oververhitting te voorkomen. Ook bij warm weer zal de motor minder gekoeld worden.

Vloeistofgekoelde motoren worden gekoeld doordat er vloeistof om de cilinders van het motorblok heen gepompt wordt. Dit systeem is duurder, ingewikkelder en iets gevoeliger voor problemen dan een luchtgekoelde motor. De koeling is wel beter en gelijkmatiger. Ook blijft een vloeistofgekoelde motor koeler tijdens stilstand met draaiende motor, al heeft ook deze uiteindelijk wel enige rijwind nodig voor het koelen van de radiateur waar de koelvloeistof doorheen loopt. Deze radiateur zit voor het motorblok direct achter de voorvork.

luchtgekoeld

Luchtgekoelde motor.

vloeistofgekoeld

Vloeistofgekoelde motor.

Controleer bij een vloeistofgekoelde motorfiets voor de rit het koelvloeistofniveau. Als deze te laag wordt, is de kans op oververhitting tijdens het rijden aanwezig. Vul deze indien nodig bij met de juiste koelvloeistof. Houd daarnaast de radiateur zo goed mogelijk schoon. Alleen in geval van nood mag je tijdelijk de koelvloeistof bijvullen met water, om zo snel mogelijk een veilige plek te kunnen bereiken.

Ieder motor wordt daarnaast gekoeld door de olie in de motor en door de brandstof. Ook kan er bij een luchtgekoelde motor een radiateur op de motorfiets zitten voor het koelen van de motorolie. Zorg ervoor dat ook deze radiateur niet te vies wordt. Een vieze radiateur koelt minder goed dan een schone.

Bedieningsorganen en noodstopschakelaar

Controleer voor de rit of alle hendels, handvatten (denk aan het handvat van de gashendel!) en knopjes goed vastzitten en goed werken. Kijk ook of de noodstopschakelaar in de goede stand staat. Deze schakelaar is meestal rood en zit aan de rechterkant op het stuur. De functie van deze schakelaar is het uitschakelen van de ontsteking van de motor in geval van nood.

Als je onderuitgaat met de motorfiets, kunnen de draaiende (ketting)wielen, ketting of riem zorgen voor extra verwondingen. Door de noodstopschakelaar in dat geval om te zetten wordt de motor direct uitgeschakeld zonder dat de verlichting uit gaat. Dit laatste is belangrijk in verband met de zichtbaarheid. Soms heb je niet door dat deze schakelaar (per ongeluk) omgezet is en krijg je daardoor de motor niet gestart.

noodstopschakelaar

De rode knop is de noodstopschakelaar.

Overige technische zaken

Naast de vaste controles kun je ook tijdens het rijden bepaalde zaken opmerken. Voor alles geldt: rijdt de motorfiets ineens anders dan je gewend bent, maakt hij ineens een raar geluid of voelt iets niet goed, stop dan op een veilige plaats en controleer de motorfiets. Denk hierbij aan onbalans in de wielen, rare schokken tijdens het remmen en niet in de laatste plaats: brandende dashboardlampjes. Bijna alle problemen bij een motorfiets hebben direct of indirect effect op de veiligheid. Neem daarom altijd het zekere voor het onzekere.

Antiblokkeersysteem (ABS) en gecombineerd remsysteem

Tijdens het remmen met een motorfiets combineer je als het goed is de voorrem en de achterrem, waarbij de voorrem de meeste remkracht geeft. Meestal gebruik je hiervoor tijdens het remmen een verdeling van 70-80% op de voorrem en 20-30% op de achterrem. De voorrem wordt bediend met de remhendel aan de rechterzijde van het stuur, de achterrem met het rempedaal aan de rechterzijde voor het voetstepje. Het goed verdelen van de remkracht kan best lastig zijn, vooral in het begin. Ook omdat dit sterk afhankelijk kan zijn van de omstandigheden, zoals het soort en de staat van het wegdek, of het meenemen van een passagier.

Modernere motorfietsen kunnen uitgerust zijn met een gecombineerd remsysteem. Dit systeem verdeelt de remkracht in de juiste verhouding over de voor- en achterrem. Afhankelijk van het systeem is dit alleen het geval bij het remmen met de achterrem, of bij zowel de voor- als achterrem. Omdat de remkracht beter wordt verdeeld, rem je minder snel te hard met de achterrem en heb je minder kans op een blokkerend achterwiel. Een dergelijk systeem wordt vaak gecombineerd met een ABS. Een ABS voorkomt bij beide wielen dat ze tijdens het remmen blokkeren. Een ABS is bij motorfietsen nog belangrijker dan bij auto’s. Als het voorwiel van een motorfiets blokkeert, betekent dit namelijk meestal dat de motorrijder onderuitgaat. Ook op motorfietsen zonder gecombineerd remsysteem zit tegenwoordig steeds vaker ABS.

Minimale remvertraging

Iedere motorfiets moet voldoen aan een minimale remvertraging. Dit betekent dat bij het volledig inknijpen van de rem(men), de motorfiets voldoende moet vertragen per seconde (in m/s2). Een zwaar beladen motor of een motor met een (beladen) aanhangwagen zal een langere remweg hebben dan normaal.

remvertraging

Banden en velgen

Ervaar je tijdens het rijden een onbalans in de motor, dan kan dit te maken hebben met een probleem met je banden of velgen. Controleer in dat geval of de spaken (indien aanwezig) nog allemaal heel en goed gespannen zijn, of dat er wellicht een slag in de velg zit. Velgen mogen ook geen scheuren of breuken vertonen. Een te lage bandenspanning of een wiel dat niet goed uitgebalanceerd is, kan er ook voor zorgen dat de motorfiets gaat slingeren, vooral bij hogere snelheden. Onregelmatige slijtage van de banden is altijd een reden om de motorfiets te laten controleren.

Spiegels

Als je op de motorfiets rijdt is goed zicht in de spiegels belangrijk. Controleer daarom altijd de stand van de spiegels als je op de motorfiets zit, tijdens stilstand. Verstellen de spiegels zichzelf tijdens het rijden, stop dan op een veilige plek en stel ze opnieuw af. Als dit vaker gebeurt, dan betekent het dat de spiegels te los zitten. Draai ze in dat geval beter vast, of laat dit doen bij een motorzaak.

Uitlaat

Merk je dat de motorfiets ineens meer lawaai gaat maken tijdens het rijden, dan kan dit op een probleem duiden met de uitlaat. Deze kan lek zijn of los zitten. Het is niet toegestaan om te rijden met een losse of lekke uitlaat. Laat dit daarom zo snel mogelijk repareren.

Let op, automatisch vertalen staat aan in jouw browser. Dit kan ongewenste vertalingen geven op deze site. Wij zijn niet verantwoordelijk voor fouten die hierdoor ontstaan in ons lesmateriaal.