De meest veilige plaats voor motorrijders
Voor motorrijders is de positie op de weg een erg belangrijke factor voor de veiligheid. Door de smalle contouren van de motorfiets, word je als motorrijder snel over het hoofd gezien. Opvallende kleding lost dit maar voor een klein deel op. Door op de juiste positie te rijden, zorg je dat je meer opvalt. De juiste positie voor motorrijders is in het algemeen het midden of iets links van het midden van de rijstrook.
Naast de betere zichtbaarheid, heeft dit ook nog andere redenen:
- Op de rechterzijde van de rijstrook ligt vaak meer vuil.
- Je houdt zo meer ruimte rondom je voertuig voor eventuele uitwijkmanoeuvres.
In je praktijkopleiding zal nog veel uitgebreider ingegaan worden op het hanteren van de juiste positie. Buiten de standaard positie in het midden of iets links van het midden zijn er ook redenen om hiervan af te wijken. Je zal als motorrijder continu bezig moeten zijn met het bepalen van je meest ideale positie, waarbij het zien en gezien worden voorop staat.
Gladde wegdelen
Als motorrijder moet je extra opletten op gladde wegdelen zoals putdeksels, klinkers, witte wegmarkeringen en zwarte lasnaden. Houd ook rekening met los zand of grind, dat vooral op T-splitsingen in buitengebieden middenop het kruispunt kan liggen. Ook tramrails in de grote steden zijn een risico, voorkom zoveel mogelijk dat je hier in de lengterichting overheen rijdt.
Pas zo vloeiend mogelijk je positie aan op deze wegdelen door ze op tijd te herkennen en andere omstandigheden ook mee te wegen. Denk hierbij bijvoorbeeld aan achteropkomend of tegemoetkomend verkeer.
Rijd zo min mogelijk over witte markeringen. Zijn er pijlen op het wegdek aangebracht, rijd dan nooit over de lengtestreep van de pijl. Rijd er bij een pijl voor rechtdoor of linksaf aan de linkerzijde langs, en bij een pijl naar rechts aan de rechterzijde. Zorg hierbij altijd voor voldoende ruimte tussen jou en het verkeer op andere rijstroken of voorsorteervakken. Ga niet aan de rand van je rijstrook rijden. Zo mag je bij de pijl voor rechtdoor eventueel ook over het driehoekje heen rijden, om te vermijden dat je te dicht bij verkeer links van je komt. Maar vermijd altijd de lengtestreep.

De groene bandensporen geven weer waar je het beste langs of over de wegmarkeringen heen kunt rijden.
Positie in de bochten
Ook bij het nemen van bochten is je positie op de weg van zeer groot belang voor je eigen zicht en het gezien worden. Deze positie is echter van veel factoren afhankelijk, zoals het zicht door de bocht heen, de aanwezigheid van tegenliggers en de staat van het wegdek. Hanteer de volgende basisregels:
- Pas ruim voor de bocht je snelheid en versnelling aan de scherpte van de bocht en het (eventueel belemmerde) zicht aan.
- Kijk zoveel mogelijk door de bocht heen, let hierbij ook op vuil en beschadigingen van het wegdek. Vermijd het rijden over putdeksels en wegmarkering.
- Begin de bocht zoveel mogelijk aan de buitenzijde. Een bocht naar links begin je aan de rechterzijde van de rijstrook en een bocht naar rechts aan de linkerzijde van de rijstrook. Houd hierbij wel voldoende zijdelingse afstand tot tegemoetkomend verkeer.
- Trek bij voldoende zicht tijdens de bocht je rijlijn wat naar binnen. Bij een bocht naar links is dit richting de middenstreep, bij een bocht naar rechts is dit richting de berm. Maar hel nooit met je bovenlichaam over de middenstreep of berm heen.
- Houd rekening met bochten die knijpen (steeds scherper worden) of S-bochten (een bocht die overgaat in een andere bocht in de andere richting).
- Bij het inrijden met de juiste snelheid is het mogelijk om bij het uitrijden van de bocht direct weer rustig te accelereren (gas te geven). Dit noemen we het slow-in-fast-out-principe.

Tijdens het nemen van de bocht kies je zoveel mogelijk voor de ideale rijlijn. De ideale rijlijn stelt je in staat om zoveel mogelijk ‘door de bocht’ heen te kijken.

Als je de bocht zo neemt, dan hel je over op de weghelft van de tegenliggers. Tegenliggers kunnen van je schrikken en je raken. Bovendien is het uitwijken in een bocht een zeer gevaarlijke manoeuvre.
Houding in de bochten
Het sturen op een tweewielige motorfiets gebeurt vooral door de verplaatsing van je lichaamsgewicht. Je kunt hierbij inleunen, meeleunen of tegenleunen. Bij het inleunen hangt je lichaam schuiner in de bocht dan de motorfiets. Dit is bijvoorbeeld verstandig bij gladdere wegen. Bij extra krappe bochten kun je beter tegenleunen, waardoor je motorfiets schuiner door de bocht gaat dan jijzelf. Tijdens de AVB-lessen leer je dit bijvoorbeeld bij de halve draai. Je kunt hierbij eventueel de achterrem gebruiken voor balans. In de meeste normale situaties gebruik je het meeleunen. Je bent dan in één lijn met de motorfiets.

Inleunen

Tegenleunen

Meeleunen
Ruimtekussen
Omdat je als motorrijder kwetsbaar bent is je ruimtekussen erg belangrijk. Dit is de vrije ruimte rondom je motorfiets. Bij het kiezen van je positie probeer je deze ruimte altijd zo goed mogelijk te verdelen. Dat doe je bijvoorbeeld door:
- Bij meerdere rijstroken op de linkerrijstrook niet te ver links te gaan rijden maar wat meer in het midden van de rijstrook.
- Bij het voorbijrijden van obstakels voldoende ruimte te ‘pakken’ en even te wachten als deze ruimte er niet is.
- Jezelf niet op te sluiten achter een voertuig of obstakel als je moet wachten op tegemoetkomend of achteropkomend verkeer.
- Bij slechtere omstandigheden altijd extra uitwijkmogelijkheden te creëren. Ga bij hevige regenval bijvoorbeeld niet op de linkerrijstrook rijden op de autosnelweg, maar pak de rijstrook direct naast de vluchtstrook.