Afstand bewaren

Hoe meer ruimte je om jouw voertuig heen vrijhoudt, hoe kleiner de kans dat je ergens tegenaan rijdt. Houd daarom altijd voldoende afstand links en rechts naast jouw voertuig, maar ook voor jouw voertuig: de volgafstand. Is de volgafstand te klein, dan noemen we dat ‘bumperkleven’. Als de bestuurder voor jou dan onverwachts remt, leidt dit meestal tot een ongeval waarbij jij schuld hebt.

Rijzicht

De afstand waarover je de weg kan overzien. Dit kan beperkt worden door weg- en weersomstandigheden, maar bijvoorbeeld ook door je volgafstand. Hoe minder rijzicht je hebt, hoe lager je snelheid zou moeten zijn.

Stopafstand

In het verkeer heb je regelmatig te maken met situaties waarin je, verwacht of onverwacht, moet remmen. Het is belangrijk dat je weet hoeveel afstand je ongeveer nodig hebt om te kunnen stoppen. Dit noemen we de stopafstand. De stopafstand is niet alleen de remafstand, maar ook de tijd die je gebruikt om na te denken, voordat je echt begint met remmen: de reactieafstand.

Stopafstand = Reactieafstand + Remafstand

Reactieafstand

Als er voor je iets onverwachts gebeurt, moet je daar eerst nog op reageren. Dit gaat volgens een vast patroon.

  • Waarnemen
    Je ziet dat er iets gebeurt waarop je misschien moet reageren.
  • Voorspellen
    Je gaat voorspellen wat dit voor jou betekent en welke mogelijkheden je hebt.
  • Evalueren
    Deze mogelijkheden vergelijk je met elkaar.
  • Beslissen
    Je kiest welke mogelijkheid de beste is.
  • Handelen
    Je voert de handelingen die bij deze beslissing horen, uit.

Hoe snel je bent in de volgorde van waarnemen, voorspellen, evalueren, beslissen en handelen, bepaalt je reactietijd.

Ben je gezond en ervaren én let je goed op, dan is deze reactietijd ongeveer 1 seconde. Het duurt dan dus 1 seconde vanaf het moment dat je iets ziet waarvoor je moet remmen, totdat je de rem inknijpt of intrapt.

Tijdens deze seconde rijd je nog steeds met dezelfde snelheid door. Deze afstand is de reactieafstand. Je kan deze ongeveer uitrekenen door de gereden snelheid (in km/u) te delen door vier en daar vervolgens 10% van deze uitkomst bij op te tellen. Dit geeft de reactieafstand in meters.

In 1 seconde reactietijd leg je bij 40 km/u ongeveer 11 meter af. Je hebt dan alleen nog maar nagedacht en moet nog gaan remmen!

Remafstand

Zodra je de rem aanraakt, sta je nog niet direct stil. Dit is vooral afhankelijk van hoe goed je het remmen onder de knie hebt en hoe snel je rijdt. De afstand die je in die tijd aflegt, is de remafstand.
Deze afstand neemt kwadratisch toe naarmate je snelheid hoger ligt. Dit betekent dat de remafstand vier keer zo lang wordt als de snelheid twee keer zo hoog is. Ook de staat van het wegdek en de weersomstandigheden zijn van invloed op de remafstand.

Let wel op: de remafstand is vooral bij tweewielige voertuigen meer afhankelijk van ervaring en oefening dan bij vierwielige voertuigen. Goed kunnen remmen kost oefening.

Bij 40 km/u heb je ongeveer 8 meter nodig om te remmen. En je had al 11 meter nodig om na te denken. Dus in totaal kost het stoppen dan zo’n 19 meter!

stopafstand bromfiets

De stopafstand is de reactieafstand en de remafstand bij elkaar opgeteld. Rijdt de bromfietser hier 45 km/u, dan heeft deze ruim 22 meter nodig om stil te komen staan.

Volgafstand

De afstand tussen jouw voertuig en het voertuig voor je is de volgafstand. Het niet houden van voldoende volgafstand is strafbaar en ook nog eens levensgevaarlijk. Je moet jouw voertuig namelijk stil kunnen zetten binnen de afstand die vrij is en die je kan overzien. Dat wil dus zeggen dat, als het voertuig voor jou ineens volledig stilstaat, jij moet kunnen stoppen, voordat je zijn achterkant raakt. Een veilige volgafstand kan je bepalen met de ‘twee-seconden-regel’.

Dit betekent dat, als het voertuig voor jou een paaltje voorbijrijdt, het minimaal 2 seconden moet duren, voordat jij bij dat paaltje bent. Let op dat je hierbij niet te snel telt!

Je kan de volgafstand ook ongeveer uitrekenen in meters. Dit doe je door je snelheid in km/u te delen door twee. Hier tel je vervolgens 10% bij op.

Bij 40 km/u moet er minimaal 22 meter tussen jou en je voorligger zijn.

Noodstop maken met een tweewielig voertuig

Het maken van een noodstop is met een snorfiets, bromfiets of speedpedelec niet gemakkelijk. Gewoon maar zo hard mogelijk remmen kan ervoor zorgen dat de wielen blokkeren en wegglijden. Dit zorgt er meestal voor dat je valt. Gebruik de rem met beleid door de rem eerst zacht in te knijpen en vervolgens steeds harder te remmen. Als je voelt dat de wielen dreigen te blokkeren, laat de rem dan iets meer los, zodat de wielen weer gaan rollen en rem daarna weer verder. Dit is niet makkelijk en moet je echt even oefenen.

Vaak werken de voorrem (rechter remhendel) en achterrem (linker remhendel) los van elkaar. De remverdeling tussen de voor- en achterrem is het beste als je ongeveer 70 tot 80% op de voorrem remt en maar 20 tot 30% op de achterrem.

Door de gewichtsverplaatsing tijdens het remmen komt er meer gewicht op het voorwiel en minder gewicht op het achterwiel. Hierdoor zal je achterwiel sneller blokkeren als je te hard met de achterrem remt.

Ook de vering is van invloed op het remgedrag. Is de vering niet goed afgesteld of zelfs kapot, dan remt jouw voertuig minder goed. De wielen stuiteren dan meer en hebben minder grip.

Bermrijden

Met een tweewielig voertuig moet je het rijden door de berm zoveel mogelijk voorkomen. Bermen zijn vaak modderig en glad. Daarnaast kan de rand van het asfalt ervoor zorgen dat je gaat slingeren, zodra je de rijbaan weer op probeert te rijden. Moet je uitwijken voor een tegenligger, probeer dan op de rijbaan te blijven.
Moet je toch de berm in, verlaag dan je snelheid of ga helemaal stilstaan. Kom je per ongeluk in de berm, laat dan rustig je gashendel los en wacht tot je langzamer rijdt, voordat je voorzichtig de rijbaan weer opstuurt.

Uitwijken

Moet je uitwijken, zorg dan dat je eerst zoveel mogelijk afremt als hier ruimte voor is. Stop met remmen, zodra je moet gaan sturen. Remmen en sturen gaan niet goed samen. Dit kan ervoor zorgen dat je onderuitgaat.

Slechtere omstandigheden

De volgafstand volgens de ‘twee-seconden-regel’ is een minimale volgafstand. Deze geldt bij goede weg- en weersomstandigheden, een oplettende (alerte) bestuurder en een goede wegligging.

Is jouw voertuig in een slechte staat of ben je zelf (nog) niet zo goed in het remmen, dan wordt de remweg langer. Dit geldt ook als je te maken krijgt met slechte weg- en weersomstandigheden. De weg kan daardoor gladder zijn. Je moet dan meer volgafstand aanhouden.

Is het zicht slecht door mist, sneeuw- of regenval of ben je minder alert, dan kan je minder goed waarnemen en minder snel reageren. Daardoor wordt je reactieafstand langer. Ook dan moet je meer volgafstand aanhouden.

Voor het inschatten van de minimale volgafstand in dit soort situaties heb je inzicht en ervaring nodig. Ga bij slechtere omstandigheden uit van 3 of 4 seconden volgafstand.

Om te weten of je te maken hebt met een slechter wegdek en daarmee een slechtere wegligging, kan je kijken naar een aantal zaken:

ob615t 300 1
  • Soort wegdek en de staat ervan
    Een nat wegdek geeft minder grip, net als een wegdek met gaten of los grind of zand. Daarnaast geeft bijvoorbeeld een klinkerweg minder grip dan een asfaltweg. Een nieuw wegdek is ook altijd gladder dan een ouder wegdek.
  • Wegverkanting
    In bochten worden wegen meestal iets schuin gelegd, waarbij de binnenbocht iets lager wordt gelegd dan de buitenbocht (positieve wegverkanting). Dit zorgt voor meer grip in de bochten. Is de buitenbocht lager dan de binnenbocht (negatieve wegverkanting), dan heb je juist minder grip in de bochten. Dit komt veel voor op rotondes.
positieve wegverkanting

Positieve wegverkanting. De binnenbocht ligt lager.

negatieve wegverkanting

Negatieve wegverkanting. De binnenbocht ligt hoger.

Centrifugaalkracht

De centrifugaalkracht (middelpuntvliedende kracht) is de kracht die het voertuig en jou naar buiten duwt als je in een bocht rijdt. Hoe zwaarder, groter en hoger een voertuig, hoe groter de centrifugaalkracht. Het aanpassen van de snelheid heeft direct effect op deze kracht. Bij een verdubbeling van de snelheid in de bocht wordt de centrifugaalkracht vier keer zo groot. Hoe groter de centrifugaalkracht, hoe groter de kans dat je slipt en uit de bocht vliegt. Dat gebeurt helemaal als je ook nog gaat remmen in de bocht. Pas daarom je snelheid al ruim voor de bocht aan en zorg dat je niet hoeft te remmen in de bocht. Door de bromfiets, snorfiets of speedpedelec de bocht in te kantelen, vang je een deel van de centrifugaalkracht op.

Remmen bij slechtere omstandigheden

Goed remmen is onder normale omstandigheden al best lastig. Maar het wordt nog iets lastiger als de omstandigheden niet goed zijn. Denk bijvoorbeeld aan gladheid door slecht weer of aan een slecht wegdek door los grind of zand. In dat geval is het belangrijk dat je met een snorfiets, bromfiets of speedpedelec minder remt met de voorrem. In extreem gladde situaties kan je zelfs beter helemaal niet remmen met de voorrem. Zodra het voorwiel gaat slippen, ga je bijna altijd onderuit, omdat dit moeilijk te corrigeren is. Rem daarom bij dit soort omstandigheden vooral met de achterrem. Slipt je achterwiel, dan is dit vaak beter te corrigeren. Maar probeer de rem zo te doseren dat het achterwiel niet slipt.

Bij deze situaties is het voorkomen van remmen nog altijd het best. Houd dus nog meer volgafstand en kijk ver vooruit. Ontwijk slechte en gladde stukken op het wegdek, zoals witte markeringen, zwarte lasnaden op het asfalt, putdeksels en vuil. Houd ook rekening met de aanwezigheid van tramrails. Voorkom dat je hier in de lengterichting overheen moet rijden.

Let op, automatisch vertalen staat aan in jouw browser. Dit kan ongewenste vertalingen geven op deze site. Wij zijn niet verantwoordelijk voor fouten die hierdoor ontstaan in ons lesmateriaal.