Onderhoud en controle
Om te zorgen dat voertuigen veilig aan het verkeer kunnen deelnemen, moeten deze voldoen aan een aantal eisen. Om te zorgen dat dit het geval is, moet je regelmatig het voertuig controleren. Hoe en wanneer je dit doet, wordt uitgelegd per voertuigonderdeel.
Stuurinrichting

Storing stuur-bekrachtiging
Merk je dat het stuur ineens meer trilt, zwaarder stuurt of anders voelt dan normaal, dan is het belangrijk hiernaar te (laten) kijken. Dit kan aan een defect van de stuurinrichting liggen, maar het kan ook komen door een probleem met de banden, wielen of wielophanging. Zolang het probleem niet is opgelost, mag je niet verder rijden.
Toeter (claxon)

Iedere auto moet voorzien zijn van een goedwerkende toeter. Als je merkt dat deze niet werkt, mag je niet gaan rijden met dit voertuig.
Ophanging
De ophanging van de auto is het deel waarmee de wielen aan het voertuig zijn verbonden. Als er iets mis is aan de ophanging, merk je dat meestal door de minder stabiele ligging van de auto op de weg. Hij kan gaan hobbelen of slingeren, naar links of rechts trekken. Het sturen kan minder makkelijk gaan of het voertuig kan een bonkend geluid maken tijdens het rijden over drempels of andere hobbels. Ook kan het voertuig scheef staan, omdat hij door (één van) de veren zakt.
Omdat het voertuig minder stabiel op de weg ligt, kan dit gevaarlijke situaties veroorzaken. Daarnaast zorgt het voor onregelmatige bandenslijtage. Je mag in dat geval niet meer rijden. Laat de ophanging controleren en repareren.
- ABS (Anti Blokkeer Systeem)
-

Storing ABS
De meeste auto’s zijn voorzien van ABS. Dit systeem zorgt ervoor dat de wielen niet blokkeren tijdens hard remmen. Hierdoor blijft het voertuig beter bestuurbaar tijdens een noodstop. Het is niet zo dat ABS altijd zorgt voor een kortere remweg, maar je kan tijdens het remmen wel blijven sturen waardoor je obstakels makkelijker kan ontwijken. Als ABS in werking treedt, merk je dit aan een trillend rempedaal. Dit is geen defect aan de remmen, maar een teken dat het ABS ingrijpt. Laat het rempedaal niet los, maar blijf remmen.
Remmen

Slijtage remvoeringen
Slechtwerkende remmen zijn levensgevaarlijk. Merk je dat de auto minder goed remt, scheeftrekt tijdens het remmen of een waarschuwingslampje geeft, dan moet je dit laten controleren bij de garage. Het is niet toegestaan verder te rijden met slecht werkende remmen.
Banden

Lage bandenspanning
Banden zijn zelf relatief makkelijk te controleren. Voor iedere rit loop je even een rondje om de auto om te zien of er geen banden slap of leeg zijn. Daarnaast let je op zichtbare beschadigingen en controleer je of alle ventieldopjes nog aanwezig zijn.
Eens in de maand controleer je de bandenspanning en de profieldiepte. In de hoofdgroeven van de band vind je kleine verhogingen (slijtage-indicatoren) die lager moeten liggen dan de bovenrand van de groef.
Beginnen de indicatoren mee te slijten met het loopvlak, dan heeft de band te weinig profiel en moet de band vervangen worden. Je mag er dan niet meer mee rijden.

Slijtage-indicatoren zijn de dwarsstreepjes in de hoofdgroeven.

Winterbanden zijn meestal te herkennen aan de extra groefjes in het profiel.

Symbool op een winterband
Heb je winterbanden onder de auto, dan is een profieldiepte van 1,6 millimeter nog altijd het wettelijke minimum. Maar voor een goede werking heeft een winterband minimaal 4 millimeter profiel nodig. Een winterband is in verband met het zachtere rubber pas nuttig als het onder de 8°C is.
Controleer de bandenspanning altijd voor de rit als de banden nog koud zijn. Vergeet hierbij het eventuele reservewiel niet. Is de bandenspanning te laag, pomp de banden dan bij. Dit kan bij de meeste tankstations. Hoeveel spanning er in een band moet, kan je vinden in het instructieboekje. Bij de meeste auto’s staat ook een tabel met gewenste bandenspanning aan de binnenzijde van het portier of in het tankklepje. Verder hebben de meeste luchtpompen een grote lijst met automerken en types waarop je kan opzoeken welke bandenspanning bij jouw auto hoort. In de meeste gevallen ligt de bandenspanning tussen de 2 en 2,5 bar. Deze spanning is niet anders bij winterbanden dan bij zomerbanden. Er kan wel verschil zitten tussen banden met verschillende breedtematen.
Is een band te erg beschadigd of heeft deze een uitstulping, dan mag je niet rijden. Het risico op een klapband is in dat geval te groot.
Ontbreken de ventieldopjes, dan komt er vuil in het ventiel en sluit deze uiteindelijk niet meer goed af. De band zal dan langzaam leeglopen. Een langzaam leeglopende band kan ook komen, doordat er een spijker of schroef in de band zit. Zie je een schroef of spijker zitten, laat deze dan zitten tot je bij de garage bent. Deze houdt de lucht nog deels in de band. Ook is het gaatje dan makkelijker terug te vinden.
Te lage bandenspanning zorgt voor meer verbruik, een slechtere wegligging door minder grip en meer slijtage aan de banden. In het slechtste geval kan een lage bandenspanning zelfs zorgen voor een klapband. Een te hoge bandenspanning zorgt voor minder grip. Het loopvlak van de band staat dan boller waardoor deze in het midden meer slijt, maar aan de zijkanten minder.
Verlichting en richtingaanwijzers
Om goed zichtbaar te zijn, signalen te kunnen geven en zelf ook genoeg zicht te hebben, is goede verlichting van levensbelang. Loop altijd even een rondje om de auto en controleer of de lampglazen schoon en onbeschadigd zijn.

Maak de lampglazen altijd sneeuwvrij, voordat je gaat rijden.

Door de jaren heen kunnen lampglazen doffer worden. Hierdoor kan er minder licht doorheen. Als dit te erg wordt, moeten ze vervangen worden.
Controleer regelmatig de verlichting. Dit kan je doen door aan het begin van de rit te controleren of je twee koplampen ziet reflecteren. De reflectie kan je bijvoorbeeld zien als je langs een ruit rijdt of achter een ander voertuig bij het verkeerslicht staat. De achterlichten en remlichten zijn het best te controleren door met je achterkant richting een raam of gladde muur te staan. Schakel de lichten aan en uit en trap de rem in. Door de reflectie op het oppervlak kan je vaak prima zien of een lamp stuk is.
Veel moderne auto’s zijn voorzien van een verklikkerlampje in het dashboard dat gaat branden als een lamp stuk is. Een kapotte richtingaanwijzer herken je meestal, doordat de andere richtingaanwijzers dan sneller gaan knipperen.

Kapotte lamp
Alle verplichte verlichting moet altijd goed werken, ook als je niet verplicht bent om op dat moment de verlichting aan te hebben. Dus ook overdag mag bijvoorbeeld het groot licht niet stuk zijn. Is er een lampje stuk, dan moet je deze officieel ter plekke kunnen vervangen, omdat je anders niet verder mag rijden.
In de praktijk is dit vaak niet mogelijk, omdat lampen in de meeste moderne auto’s niet meer zonder vakkennis en goed gereedschap te vervangen zijn. Soms moeten hele bumpers of koplampunits verwijderd worden om erbij te kunnen komen. Heb je een kapotte lamp en kan je deze niet zelf vervangen, laat deze dan zo snel mogelijk vervangen bij een garage.
Retroreflectoren
De meeste retroreflectoren zijn bij moderne auto’s verwerkt in de lampunits. Het glas van deze units mag niet gebroken, beschadigd of dof zijn, omdat ze dan niet meer goed licht kunnen uitstralen of reflecteren. Ook losse retroreflectoren mogen niet dof of beschadigd zijn of missen. Ze mogen, net als de lampen, ook niet bedekt zijn met sneeuw, ijs, modder of andere viezigheid.
Als de auto niet is voorzien van de verplichte retroreflectoren of als deze niet goed meer werken, mag je hiermee niet op de openbare weg rijden. Als je daardoor slecht zichtbaar bent in het donker, mag het voertuig zelfs niet op de weg geparkeerd staan.
Spiegels
Omdat het zicht in de spiegels altijd goed moet zijn, mogen spiegels niet beschadigd of vies zijn. Voordat je vertrekt, controleer je dit en maak je ze schoon als dat nodig is. Is een spiegel stuk, dan mag je niet meer verder rijden, totdat deze gerepareerd is. Ook al zit er alleen maar een barst in het glas. Dit vervormt het zicht en hierdoor kan je niet meer veilig aan het verkeer deelnemen.
Ruitensproeiers en ruitenwissers

Ruitensproeier-vloeistofniveau laag
Als ruitenwissers of ruitensproeiers op de voorruit niet meer goed werken of de ruitensproeiervloeistof op is, kan dit het zicht door de voorruit flink beperken. Daarom mag je in dat geval niet meer rijden. Zorg dat je altijd ruitensproeiervloeistof bij je hebt. Dit wordt verkocht in de meeste tankstations.
Ruitenwisserbladen (het deel van de ruitenwisser dat over je ruit heen glijdt) moeten regelmatig vervangen worden, omdat ze slijten. Dit herken je aan de strepen die ze trekken over de ruit, zodra je ze gebruikt.
Maak ruitenwissers regelmatig schoon, helemaal als je de auto onder een boom parkeert. Kleine takjes en blaadjes kunnen krassen veroorzaken op de voorruit als ze lang onder de ruitenwisser blijven zitten. Daarnaast trekt viezigheid onder de ruitenwisser ook strepen over de voorruit als je de wissers gebruikt. Neem ze eens per week met een doekje af of vaker als je ziet dat er viezigheid onder zit.
In tegenstelling tot de ruitenwissers op de voorruit zijn ruitenwissers op de achterruit niet verplicht en hoeven deze ook niet te werken. Maar een goedwerkende ruitenwisser heeft natuurlijk altijd de voorkeur.
Uitlaat
Een kapotte uitlaat is vaak makkelijk te herkennen vanwege de herrie. Merk je dat je auto ineens zwaarder of harder klinkt als je deze start of maakt deze een knetterend geluid als je gas geeft, dan kan het zijn dat je uitlaat kapot is.
Wordt een auto jaarlijks gecontroleerd tijdens de APK of een grote beurt, dan komt de normale slijtage normaal gesproken op tijd aan het licht. Maar raakt de uitlaat tijdens het rijden beschadigd, doordat er iets tegenaan is gekomen, dan kan dit ineens veel meer geluid geven. Heel af en toe raakt de uitlaat zelfs los en sleept over de grond tijdens het rijden. Dit maakt een schrapend geluid.
Het is niet toegestaan om te rijden met een kapotte uitlaat. Niet alleen geeft dit overlast, maar ook de uitstoot van schadelijke stoffen verhoogt dan flink.
Oliepeil en vloeistoffen
Je kan zelf een aantal dingen controleren onder de motorkap, waaronder het oliepeil en een aantal andere vloeistoffen.


Te lage oliedruk
Motorolie
Motorolie zorgt voor een goede smering en deels de afkoeling van de draaiende onderdelen van de motor. Als het oliepeil te veel zakt, kan dit ervoor zorgen dat de motor te warm wordt, niet meer goed loopt en uiteindelijk zelfs kapotgaat.
Controleer het oliepeil (bij een afgekoelde motor) iedere maand. Dit doe je met de peilstok. Die herken je meestal aan een geel of oranje oog of handvat dat tussen de motoronderdelen omhoogsteekt.

Laag oliepeil
Trek de peilstok eruit, veeg deze af en stop deze weer volledig terug in hetzelfde gaatje. Trek de peilstok er nogmaals uit en bekijk tot waar het olieniveau onderop de peilstok staat.
Is het peil te laag, vul deze dan bij via de vulopening bovenop het motorblok.

Motor oververhit
Koelvloeistof
De koelvloeistof zorgt, zoals de naam al zegt, voor de koeling van de motor. Bij een te laag koelvloeistofniveau kan de motor oververhit raken, kapotgaan of zelfs in brand vliegen. Controleer daarom iedere maand het niveau van de koelvloeistof. Doe dit bij een koude motor! Omdat de koelvloeistof tijdens het rijden heel heet kan worden, kan dit gevaar opleveren tijdens het aflezen of bijvullen bij een warme motor.
Het niveau is af te lezen op het reservoir van de koelvloeistof.

Koelvloeistof-niveau te laag
Als het niveau onder de minimale waarde zakt, rijd dan niet verder maar vul deze eerst bij met koelvloeistof. Dit is te koop bij de meeste tankstations en bouwmarkten. Bij nood is het reservoir ook bij te vullen met water. Dit moet dan wel zo snel mogelijk weer vervangen worden.
Normaal gesproken hoort het koelvloeistofniveau niet zomaar te dalen. Plotselinge daling kan betekenen dat ergens een lekkage zit. Laat dit controleren door de garage.

Probleem met het remsysteem
Remvloeistofniveau
De remvloeistof is een vloeistof die je niet zelf zomaar kan bijvullen. Er mag geen lucht in de remleidingen komen en bij verkeerd bijvullen kunnen de remmen hun werking (deels) verliezen. Laat dit dus altijd bij een garage doen. Normaal gesproken blijft dit niveau goed. Is het niveau gedaald, dan kan dit betekenen dat de remmen versleten zijn of dat ergens een lekkage zit.
Het niveau kan je aflezen op het reservoir van de remvloeistof. Deze mag niet onder de minimale waarde zakken. Is dit wel het geval, dan mag je niet verder rijden.