Belemmeringen in het zicht
Regen, winterse neerslag en mist kunnen het zicht behoorlijk beperken. Maar ook andere omstandigheden kunnen het waarnemen moeilijker maken, zowel ’s nachts als overdag.
Laagstaande zon
Vooral in het voor- en najaar kan je te maken krijgen met laagstaande zon. Hiervan heb je het meeste last in de ochtend en aan het eind van de middag. Heb je de zon in je gezicht, dan vermindert dit je zicht aanzienlijk. Heb je daarnaast ook nog een vieze voorruit, dan kan het zicht echt gevaarlijk slecht worden. Je kan ander verkeer, maar ook verkeerslichten en bochten over het hoofd gaan zien. Ga in dat geval direct langzamer rijden door je gas los te laten.
Maak de voorruit regelmatig schoon, ook aan de binnenkant! Zorg ervoor dat je altijd extra ruitensproeiervloeistof bij je hebt voor als het reservoir leeg is. Gebruik een zonnebril en de zonneklep van de auto.
Heb je de laagstaande zon in de rug? Houd er dan rekening mee dat het tegemoetkomende verkeer jou erg slecht ziet, omdat zij tegen de zon in moeten kijken. Voer bij laagstaande zon altijd dimlicht, om te zorgen dat je beter zichtbaar bent.

Laagstaande zon kan verblindend werken.

De schittering van de zonnestralen tussen de bomen kan het zicht op een zonnige dag behoorlijk belemmeren.
Schaduw onder bomen
Ook op zonnige dagen kan het noodzakelijk zijn om dimlicht te voeren, bijvoorbeeld als je over een weg rijdt met veel overhangende bomen en takken. Het licht dat tussen de bladeren door schijnt, zorgt voor een schittering die het zicht flink vermindert. Voertuigen zonder dimlicht zijn veel minder snel op te merken. Houd hier tijdens het inhalen op dit soort wegen rekening mee.
Schemer
Je zicht is slechter in de schemer, omdat kleuren beginnen te vervagen. Je ogen moeten zich aanpassen aan het verminderde licht. Dit gaat bij sommige mensen vlotter dan bij anderen. Omdat je in de schemer zelf het idee hebt dat je nog redelijk goed ziet, ben je minder snel geneigd om dimlicht aan te zetten. In de schemer kom je daarom vaker slecht verlichte en daarmee slecht zichtbare voertuigen tegen dan in het donker.
Donker
In het donker is het zicht natuurlijk een stuk slechter dan bij licht. Ook als je voldoende verlichting aan hebt, blijven er flinke stukken onverlicht en dus slecht zichtbaar. Daarnaast zijn voetgangers, slecht verlichte fietsers en obstakels op onverlichte wegen pas laat te zien.
Pas je snelheid aan aan het zicht dat je hebt. Probeer het wegverloop te herkennen aan de hand van bermpaaltjes, lantaarnpalen, wegmarkeringen, borden en verlichting. Gebruik groot licht als dat nodig is, maar dim dit direct als er ander verkeer nadert of als er een voertuig voor je rijdt.
Rijd op wegen waar geen verlichting en geen stoep is, niet tegen de bermrand aan. Kies, als dit veilig kan, iets meer het midden van de weg. Dit is veiliger voor voetgangers of fietsers die aan de zijkant van de weg lopen of fietsen.

J-27
Groot wild
Houd in de schemer en in het donker ook rekening met eventueel overstekend wild. Het risico is in de nacht het grootst. Verminder de kans op een aanrijding door de snelheid te verlagen. Op de plekken waar overstekend wild veel voorkomt, staat meestal het bord J-27.
Steekt er groot wild over, probeer dan niet uit te wijken. Kies liever voor remmen en dim altijd je groot licht als je dit aan hebt staan. Bij uitwijken heb je een grote kans dat je op de verkeerde weghelft of in de berm belandt en zelf een ongeluk krijgt.
Voor klein wild, zoals konijnen of hazen, is het veiliger om geen noodstop te maken. Plotseling flink remmen vergroot de kans op kop-staart-aanrijdingen, terwijl de risico’s van een aanrijding met een konijn of haas voor jou maar klein zijn.
Heb je een aanrijding gehad met een dier, dan ben je verplicht de dierenpolitie te bellen. Hiervoor is een speciaal noodnummer: 144. De politie kan maatregelen nemen om het dier te helpen, als dat nodig is, of uit zijn lijden te verlossen. Ook bij een huisdier is dit verplicht als er geen eigenaar aanwezig is.
Neem bij een aanrijding met een dier altijd contact op met de dierenpolitie. Deze zijn te bereiken op telefoonnummer 144.
Polderblindheid en tunnelvisie
Polderblindheid ontstaat als je op lange, rechte en eentonige wegen te veel in de verte gaat kijken. Je gaat dan staren en je gezichtsveld wordt hierdoor steeds smaller. Dit wordt ‘tunnelvisie’ genoemd. Zijwegen vallen daardoor minder op. Voertuigen die op deze zijwegen naderen, zie je dan makkelijk over het hoofd. Hierdoor ontstaan soms ongevallen op kruispunten waar je dit door het goede zicht niet direct zou verwachten.
Blijf jezelf bewust van je kijkgedrag en voorkom dat je gaat staren door iedere paar seconden je blik te verleggen.