Kwetsbare verkeersdeelnemers
Onder de kwetsbare verkeersdeelnemers vallen voetgangers, maar ook blinden, slechtzienden en mensen die zich moeilijk voortbewegen.
Extra informatie voetgangersoversteekplaats
Voetgangersoversteekplaats
Bij een voetgangersoversteekplaats (ook wel zebrapad genoemd) ben je als bestuurder verplicht om voetgangers die oversteken of kennelijk willen gaan oversteken, voor te laten gaan. Ook bestuurders van een gehandicaptenvoertuig die zich via een voetgangersoversteekplaats verplaatsen van de ene stoep of het ene voetpad naar de andere stoep of het andere voetpad, moet je voor laten gaan. Zij vallen in dat geval onder de categorie voetgangers.
Laat duidelijk merken dat je van plan bent te stoppen. Rem niet pas op het laatste moment. Laat op tijd je gas los en rem vast lichtjes. Zo laat je het verkeer achter jou weten dat je gaat remmen en misschien wel gaat stoppen.

De voetganger mag voor op de lesauto, omdat deze oversteekt bij een voetgangersoversteekplaats.

De persoon in het gehandicaptenvoertuig valt in dit geval onder de voetgangers en mag daarom voor op de lesauto.
Als er verkeerslichten bij de oversteekplaats staan, gaan deze verkeerslichten boven de verkeerstekens. Voetgangers moeten in dat geval gewoon wachten bij rood licht.
Blinden en zich moeilijk voortbewegende personen
Is er geen voetgangersoversteekplaats, dan hoef je een voetganger die kennelijk wil gaan oversteken, niet voor te laten gaan. Maar er zijn twee uitzonderingen:
- blinden of slechtzienden, herkenbaar aan een blindenstok (witte stok met één of meer rode ringen);
- personen die zich moeilijk voortbewegen, te herkennen aan bijvoorbeeld een rollator of stok.
Deze twee groepen moet je voor laten gaan als ze willen oversteken, ongeacht waar ze dit doen. Personen die zich voortbewegen met een rolstoel, vallen niet onder deze uitzondering. Zij vallen niet onder de term ‘zich moeilijk voortbewegende personen’.

Een persoon met een rollator of looprek valt onder de noemer ‘zich moeilijk voortbewegende personen’ en mag daarom voor op de lesauto.

Een persoon in een rolstoel valt niet onder de noemer ‘zich moeilijk voortbewegende personen’ en mag daarom niet voor op de lesauto.
In- of uitritconstructie
Een inritconstructie is hetzelfde als een uitritconstructie. Welk woord je gebruikt, is afhankelijk van of je zo’n constructie in- of uitrijdt.
In- en uitritconstructies worden onder andere gebruikt bij het begin en einde van een erf. Maar ook bij de ingang van een parkeerterrein kan je ze vinden. Ze zijn niet altijd goed te herkennen. De meeste in- en uitritconstructies zijn zo vormgegeven dat je over de stoep moet rijden om een andere weg of een parkeerplaats op te draaien. De stoeptegels lopen door op een in- en uitritconstructie. De stoeprand is ter hoogte van de constructie verlaagd om te zorgen dat je er makkelijker overheen kan rijden.
Bij in- en uitritconstructies moet je al het overige verkeer, dus ook voetgangers, voor laten gaan. Dit geldt zowel bij het inrijden als bij het uitrijden. Soms wil je tegelijk met een andere bestuurder over de constructie heenrijden, omdat de ene bestuurder deze wil inrijden en de andere hem wil uitrijden. Beiden zouden dan officieel de ander voor moeten laten gaan. Omdat de meeste in- en uitritconstructies niet heel breed zijn, laat de inrijdende bestuurder in dat geval de uitrijdende bestuurder voorgaan. Je hoeft elkaar dan niet te passeren op de smalle constructie.

G-5
Erf

G-6
Einde erf
De meeste erven hebben een in- en uitgang die is vormgegeven als een in- of uitritconstructie. In dat geval moet je al het overige verkeer voor laten gaan bij het in- en uitrijden van het erf. Ontbreekt de in- of uitritconstructie, dan gelden de normale voorrangsregels.
De regel dat je al het verkeer voor moet laten gaan, heeft dus niets te maken met het erf zelf, maar alleen met de in- en uitritconstructie.

De voetganger loopt over de uitritconstructie en mag daarom voor op de lesauto.

In dit geval is het verstandig de uitrijdende bestuurder voor te laten gaan. Dan kan je makkelijker de inrit inrijden.