Achterlicht en kentekenplaatverlichting

Het achterlicht en de achterkentekenplaatverlichting, moeten steeds gelijktijdig met groot licht, dimlicht, stadslicht of mistlicht branden.




Verblinding

Verblinding door verlichting ontstaat als de verlichting van uw voertuig onjuist is afgesteld. Ook een te zwaar beladen motor kan zorgen voor verblinding, zodat het lijkt alsof u groot licht voert. Zorg er daarom voor dat uw motor niet te zwaar beladen is en mocht dat wel het geval zijn, laat dan uw verlichting goed afstellen. Als u met groot licht rijdt, moet u dimmen bij het tegenkomen van andere weggebruikers, dus ook voor fietsers, bromfietsers en voetgangers.




Knippersignaal

Indien u zelf verblind wordt, maak dan de ander daarop attent, door even te seinen met uw groot licht. Soms wordt er niet gereageerd op uw actie. Blijf dan vooral rustig en probeer naar de rechterkant van de rijbaan te kijken, maar vooral niet in de koplampen van de tegenligger. Verder is snelheidsvermindering de meest veilige oplossing om problemen te voorkomen.




Laagstaande zon

Bij een laagstaande zon is het verstandig om dimlicht te voeren. Het tegemoetkomende verkeer zal dan moeite hebben om u te zien, vooral als de laagstaande zon voor u van achteren komt, dus de zon in uw rug. Advies. Voer dimlicht. U wordt dan eerder en beter opgemerkt.

Bij ernstige belemmering van het zicht overdag voert u dimlicht.


Terug naar de website