1. Schakelen

Schakel zo vroeg mogelijk op naar een hogere versnelling, tussen de 2000 en 2500 toeren. Dit geldt voor diesel, benzine en LPG. Een deel van het vermogen dat een automotor levert gaat verloren aan inwendige wrijvingsverliezen. Als u met een laag toerental rijdt, blijven deze verliezen beperkt. Rij en schakel bij het optrekken, tussen de 2000 en 2500 toeren naar een hogere versnelling.

2. Uitrollen

Als u snelheid moet minderen, of stoppen voor een verkeerslicht, laat dan tijdig het gas los en laat de auto in de versnelling uitrollen. Benzine- en dieselauto’s met een injectiemotor, meestal vanaf bouwjaar 1990, zijn voorzien van een elektronische functie, die de brandstoftoevoer naar de motor onderbreekt, wanneer er wordt afgeremd op de motor, dus het gas wordt losgelaten in de versnelling. Dit zal het brandstofverbruik doen afnemen. Net als bij het rijden met een constante snelheid, heeft deze manier van afremmen op de motor dus een gunstig effect op het brandstofverbruik en bovendien een positief effect op de uitstoot van uitlaatgasemissies, zoals C O 2 en N O x.

3. 80 in de vijfde versnelling

Auto’s van tegenwoordig zijn geschikt om met lage toerentallen te rijden. Bij benzine- of dieselauto’s kunt u het best doorschakelen tussen de 2000 en 2500 toeren. Zolang de auto soepel rijdt is dat gunstig voor zowel de motor als de aandrijflijn. Dus 80 in z’n 5 en 50 in z’n 4. Resultaat: minder uitstoot van uitlaatgassen en een lager brandstofverbruik.

4. Bandenspanning en rolweerstand

Een belangrijk gedeelte van de energie voor de aandrijving van uw auto, gaat op aan rolweerstand. Zo zal een bandenspanning die 25% te laag is, de rolweerstand met 10% verhogen. Het brandstofverbruik zal dan met ongeveer 2% toenemen. Een ander nadeel van het rijden met een te lage bandenspanning is: een kortere levensduur van de banden en een minder goede wegligging. Controleer en corrigeer maandelijks uw bandenspanning.
Voer deze controle uit met koude banden, wat inhoud dat u er niet meer dan 3 km mee heeft gereden.

5. Vooruitkijken

Kijk zover mogelijk vooruit en anticipeer op het overige verkeer. Als u met een constante snelheid rijdt, is het benodigde motorvermogen vrij laag. U moet kunnen inschatten wat het overige verkeer gaat doen. Zo hoeft u niet steeds plotseling te remmen en daarna weer gas te geven. Enkele voorbeelden zijn: het naderen van verkeerslichten, het inhalen van medeweggebruikers, zoals tractoren, landbouwvoertuigen en fietsers. Kortom, vooruitdenken, vooruitzien en instellen op de handeling.

6. Motor afzetten

Bij korte stops zet u de motor af, zoals bij een openstaande brug, een spoorwegovergang of bij een stilstaande file. Start de motor weer zonder gas te geven. Het brandstofverbruik van een motor die stationair draait, kan afhankelijk van het motortype oplopen tot wel een halve liter brandstof per uur. Als vuistregel hanteren we: langer dan 20 seconden stilstaan, motor afzetten. Bij de meeste auto’s hoeft het gaspedaal niet te worden ingetrapt bij het herstarten van de motor. Dat wordt al geregeld door het motormanagement. Daarom is het een fabeltje dat starten extra geld kost.

7. Accessoires

De meeste auto’s zijn tegenwoordig voorzien van diverse accessoires zoals: toerenteller, cruise controle, boordcomputer, econometers, schakelindicatoren, snelheids- en toerenbegrenzers. Maak, indien aanwezig, dan ook gebruik van deze accessoires. Dat is goed voor uw portemonnee en het milieu.

8. Actieve houding van de automobilist

Het nieuwe rijden vraagt om een actieve houding van de automobilist zoals: aangepast rijgedrag, regel- matig onderhoud en maandelijkse controle van de bandenspanning.

Zie www.hetnieuwerijden.nl voor uitgebreide informatie over het nieuwe rijden, voor het aanvragen van folders, voor het volgen van een training of informatie over het nieuwe rijden in de rijlessen.

Terug naar de website